Hoe burgerinitiatieven het vrijwel altijd tegen ‘de markt’ afleggen

Gastblog Urban Inspiration

Print Friendly

De afweging of een bewonersinitiatief na verloop van tijd mag uitgroeien tot een financieel volwassen plek, wordt te vaak bepaald door ‘de markt’, stelt Paul de Bruijn. Dat terwijl de opbrengst van zulke wijkcentra, buurttuinen en samenkomstplekken juist veel groter is dan alleen de euro’s die ze waard zijn.

Er is geen onderdeel van de samenleving dat niet met begrippen als ‘marktwerking’, ‘privatisering’, ‘outsourcing’, ‘verzelfstandiging’ en soortgelijke termen te maken heeft gekregen. Neem de medische sector: of een behandeling nog nuttig is wordt afgemeten aan de ‘kwaliteitsjaren’ die dat aan een leven toevoegt. Op de achtergrond loert een afschrijvingsmethodiek: hoe ouder, hoe korter de ‘terugverdientijd’. Ook de steden zijn in de greep gekomen van het marktdenken. In plaats van dat de stad plaats biedt aan de markt, in de betekenis van het bijeenbrengen van vraag en aanbod, is zij zelf net zo hard waar op de markt. De stad is immers te koop: haar grond en haar opstallen.

Sinds 2000, en zeker 2008, is het begrip ‘burgerinitiatief’ of ‘burgerparticipatie’ sterk in de belangstelling gekomen. Op vele terreinen kregen of namen burgers het initiatief om in hun omgeving verbetering aan te brengen, ‘de wereld een beetje mooier of rechtvaardiger’ te maken. De versnelling van de burgerinvloed kwam na de economische crisis die startte in 2008, en volgens velen nog steeds niet voorbij is.

Voormalig vliegveld Tempelhof in Berlijn door burgerinitiatief nu stadspark.

Voormalig vliegveld Tempelhof in Berlijn door burgerinitiatief nu stadspark.

De burger mocht en moest in steeds meer gevallen taken overnemen van de (lokale) overheid. Immers de overheid vond, sinds de golf van neo-liberaal denken in de ’80-er jaren, dat zij een kleinere taak diende te krijgen. Daarnaast kregen overheden door het geldende economische model van schuldencreatie en rentebetalingen zelf ook steeds minder te besteden. De oplossing bleek: ‘de burger’.

Ruimtelijke gaatjes vullen

Inmiddels hebben talrijke burgerinitiatieven het licht gezien. Leegstand werd sinds 2008 een alledaags fenomeen. Vrijwel geen stad ontkwam aan diverse vormen van leegstand: kantoren, winkels of andere voormalige publieke gebouwen. Eigenaren, zowel particuliere als overheden, boden ruimte aan initiatieven die tijdelijk een invulling gaven aan hun lege pand. De term ‘popup’ was geboren. Popup maskeerde de onderliggende veronderstelling dat leegstand, en de teruggang in economie, een tijdelijk ongerief zou zijn.

“De oplossing bleek: de burger”

Zo konden zandvlakten bedoeld voor nieuwbouw ‘tijdelijk’ als buurttuin worden gebruikt. Met minimale investeringen (in geld, wel in tijd) werd een eco-akker, kruidentuin of een speelbosje aangelegd. Vele roemden het ‘rommelige’ en informele karakter van dit soort plekken. De toegang was daarmee laagdrempelig: geen toegangskosten en geen gesloten community. Die ‘rommeligheid’ maakte ook dat zij door commerciële partijen en overheden als ‘klein bier’ in het grotere stadsplanningsspel werden beschouwd. Dit kon toch niks worden, werd vaak gedacht. Vergetende dat de korte termijn, met een opzegtermijn van een maand, niet tot investeringen kán leiden en elk burgerinitiatief op deze wijze gedoemd is aan haar eigen ‘sneuheid’ ten onder te gaan.

Hoe langer de termijn, hoe kansrijker

Toen duidelijk werd dat de crisis van 2008 niet meteen overging, werden de termijnen waarop bepaalde ruimtelijk burgerinitiatieven werden gedoogd, ook langer. Zo kreeg ‘Coehoorn Centraal‘ 5 jaar de tijd om haar ambities om een Arnhemse ‘creatieve zone‘ te ontwikkelen. Het lijkt erop dat dit initiatief zich gaat doorzetten naar een serieuze vorm van economische gebiedsontwikkeling.

‘De War’ in Amersfoort dat na 13 jaar haar deuren moet sluiten wegens verkoop door gemeente.

‘De War’ in Amersfoort dat na 13 jaar haar deuren moet sluiten wegens verkoop door gemeente.

Daarbij is essentieel dat niet gewerkt wordt met leningen om direct aan het begin te investeren, maar met middelen, vastgoed, dat al enige tijd economisch incourant was. Het betaalde gebruik van de panden leidt niet alleen tot een enorme verlaging van de lopende kosten (onderhoud, energie, kapitaalslasten) voor de eigenaar (de gemeente), maar ook tot een reeks van aanvullende initiatieven die het doorgroeien van kleine creatieve ondernemingen moet bevorderen. Zo blijkt zich dus langzamerhand kapitaal te ontwikkelen, zonder nieuwe schulden te creëren.

De afweging of een door burgers opgezette buurttuin, cultuurcentrum  of creatieve hub na verloop van tijd mag uitgroeien tot een (financieel) volwassen plek of activiteit, wordt helaas maar al te vaak bepaald door ‘de markt’. Een afweging in de breedte, dus niet alleen de mogelijke opbrengsten van verkoop van grond en vastgoed, gebeurt maar zelden. Toch liet een voormalig wethouder van Amsterdam zich onlangs in een bijeenkomst helder uit:’ Aan de hoogste bieder? Dat hoeft niet. Ik weeg wel degelijk ook de ‘opbrengsten’ voor de wijk of de stad af.’

De gefragmenteerde overheid

De meeste burgerinitiatieven maken gebruik van grond en/of vastgoed. Dit kan bezit zijn van een particulier of een overheid, vaak een gemeente.

Opmerkelijk is dat het verschil in afweging of een initiatief door mag groeien tussen een particuliere eigenaar en een overheid, niet zo groot is. Ook een overheid gedraagt zich op het terrein van handel in vierkante meters en stenen als een marktpartij. Elke concessie die een overheid doet aan haar rol als marktpartij wordt afgeblokt met het juridische ‘duizendingendoekje’ getiteld ‘staatssteun’. Een draak van een term, immers hoe kan een lokale overheid ‘staatssteun’ geven? Maar dat terzijde.

Beheer je buurthuis 300

Een burgerinitiatief op grond of in vastgoed van een gemeente, raakt meestal meerdere beleidsterreinen op het stadhuis. Zo kan een initiatief met vluchtelingen onder ‘sociale zaken’ vallen, maar het gebouw waarin dat plaatsvindt onder het ‘vastgoedbedrijf’ (nee, geen ‘afdeling’ vastgoed). Een buurttuin kan onder ‘openbare ruimte’ of het ‘sociale domein’ vallen, maar de grond valt onder het ‘vastgoedbedrijf’ van de gemeente.

“De stad is van iedereen”

Burgers die voor hun initiatief met een coördinerende ambtenaar van doen hebben, lopen tegen het fenomeen aan dat zijn ambtenaar maar over een bepaald beleidsterrein gaat. Een stap van de initiatiefnemers naar de wethouder, om een bredere afweging te bepleiten, wordt zelden op prijs gesteld. Het passeren van de ambtenaar wordt meestal ‘bestraft’ met het blokkeren van verdere medewerking aan het initiatief. Het vergt veel manoeuvreren om zonder veel schade naar de wethouder te stappen. En soms heeft dat ook geen zin omdat ook de wethouder maar een beperkt aantal beleidsterreinen bestrijkt.

Dan rest de burger niets anders dan de politiek te benaderen. Alleen de gemeenteraad kan een stadsbrede afweging maken.

Het is te hopen dat daar het marktdenken, in een breder kader wordt geplaatst en burgerinitiatieven als volwaardige vormen van stadsprojecten worden gezien.

Koopwaar

Welke gemeente heeft geen beleidsnotitie ‘Onze binnenstad moet bruisen’ in de la liggen? En dan gaat het vrijwel altijd over retail: winkels. Maar een binnenstad is meer; het is een knooppunt van handel en ontmoeting, wonen en werken. Die differentiatie moet weer terugkomen in de steden. De stad moet ruimte bieden en laten aan ‘softspots‘ in de stad, die levendigheid in onze binnensteden weer terugbrengen.

De stad is van iedereen en is meer dan koopwaar alleen.

Dit artikel verscheen in zijn oorspronkelijke, langere vorm op Urban Inspiration. Paul de Bruijn is mede-initiatiefnemer en bestuurslid van burgerstadsproject Coehoorn Centraal. Met Bureau de Bruijn onderhoudt hij onder andere de website Urban Inspiration, met verhalen over stadsprojecten en stedelijke inspiratie. Afbeeldingen door Bureau de Bruijn, Berflo Es en Beheer je buurthuis.

Lees ook:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*