Het ondernemende buurthuis

En de Catch-22 van geld verdienen om te overleven

Print Friendly

Gemeentes dwingen buurthuizen om zelfstandig te worden. Maar zonder structurele subsidies moeten initiatieven geld gaan verdienen, waardoor het gevaar van concurrentie op de loer ligt. Hoe moeten buurthuis en overheid omgaan met ondernemerschap?

Goed nieuws: Midwest blijft bestaan. Het buurtcentrum nestelde zich in een oud schoolgebouw in Amsterdam West, zag het opbloeien tot broedplaats voor allerlei creatieve initiatieven, maar kreeg op een gegeven moment de rekening op zijn bord: het succes van Midwest botste volgens de gemeente met de Wet Markt en Overheid. De samenwerking tussen bewoners, stadsdeel en gemeente zou rieken naar subsidie, en dat was nou juist niet de bedoeling. Midwest was een onderneming geworden, en ondernemingen betalen kostendekkende huur.

Het is een paradox waar zelfstandige buurthuizen bijna niet onderuit komen. Subsidie is er niet meer, dus moeten wijkcentra ondernemerschap tonen om te overleven. Commerciële huurders aantrekken, zzp-werkplekken, een horecabeleid; buurthuisbesturen door het hele land zoeken naar oude en nieuwe mogelijkheden om geld te verdienen. Binnen de grenzen van de wet, of net daarbuiten. Wees succesvol, en je buurthuis houdt het hoofd boven water. Wees té bedrijvig, en je loopt het gevaar als bedrijf gezien te worden.

September 2015: buurtbewoners 'staan voor MidWest', wanneer het initiatief gesloten dreigt te worden. (foto: Bram Budel)

September 2015: buurtbewoners ‘staan voor MidWest’, wanneer het initiatief gesloten dreigt te worden. (foto: Bram Budel)

Hoe blijft een bruisend buurthuis van de buurt? Hoe voorkom je dat de gemeente jouw initiatief behandelt als commerciële partij? En: moeten gemeenten niet iets van hun dubieuze starheid opzij zetten wanneer een buurtinitiatief de grenzen van de regels benadert?

Sociaal vs collectief

We maken onderscheid tussen twee vormen van ondernemerschap: sociaal en collectief. Het uitgangspunt van Beheer je buurthuis-moeder LSA is: als je iets voor de wijk doet, dan doe je dat gezamenlijk. Die redenatie is een van de manieren om te borgen dat een initiatief van de wijk blijft. Eén- of tweepitters zijn al vrij snel entrepreneurs met een idee voor een sociaal onderneming.

“Doe iets voor de wijk, dan doe je dat samen”

Beide soorten overleven door inkomsten te genereren. Daar hoeft de gemeente niet wakker van te liggen. Als er maar voor ogen wordt gehouden wat het doel is en dat je in je statuten, in wat voor rechtsvorm dan ook, vastlegt wat je doet met de inkomsten en de winst die je genereert. Kan de gemeente daaraan zien dat alles wat boven de plus staat teruggaat naar de wijk, op wat voor manier dan ook, dan moet er geen probleem zijn. Als erin staat dat de winst naar twee personen gaat, dan wordt het gevaarlijk.

Fluïde pasvorm vs continuïteit

In een bewonersinitiatief is het mogelijk dat na een bepaalde tijd alleen de sterkere initiatiefnemers overblijven en iedereen eruit werken. Misschien hebben zij een duidelijke visie voor de richting die het buurthuis op moet. Dat hoeft geen probleem te zijn. Er zullen mensen weggaan, er zullen mensen bijkomen – in een buurthuis volledig gerund door vrijwilligers zijn er geen contractuele verplichtingen. Bij verschillende fases van het initiatief heb je tevens verschillende capaciteiten en andere mensen nodig, er is een rooster van aftreden, of de doelstellingen van de initiatiefnemers veranderen.

Dat is niet gek. Gaandeweg kun je je bedenken dat de initieel gekozen rechtsvorm niet geschikt (meer) is. Je doel is verschoven, en de rechtsvorm blijkt niet meer de juiste pasvorm. Bij reguliere bedrijven is dat de normaalste zaak van de wereld. Denk aan een eenmanszaak of VOF die uitbreidt, en besluit een om een bv te worden. Daar ligt niemand wakker van, het hoort bij het groeiproces.

De Nieuwe Jutter

“Er gaan mensen weg, er komen mensen bij”

Andersom is continuïteit een signaal van duidelijkheid naar de buitenwereld. Kijken we naar BewonersBedrijven, die stichtingen zijn, dan zien we dat zij in de statuten hebben opgenomen dat ze minimaal een aantal bestuursleden willen hebben, vijf of zes. Hoewel die kunnen wisselen, blijft de aard van het initiatief geborgd: het ‘gevaar’ van sociaal ondernemerschap wordt zo gemeden. Vaak staat in zulke statuten ook dat het initiatief een Raad van Advies wil, die meedenkt over buurtkracht en voortbestaan. Een andere (of extra) manier om hetzelfde te bereiken is het uitgeven van ledencertificaten aan een minimum aantal bewoners.

Draagvlak tonen door buurtkracht statutair vast te leggen is een manier om te laten zien: dit is waar wij als buurthuis voor staan. Externe partijen hechten waarde aan het idee van ‘voor en door de wijk’. Verandert je doelstelling, dan kunnen partners hierop afhaken. Bij een nieuw gezicht voor je initiatief – of dat nu een collectieve of sociale onderneming is – hoort dan ook de zoektocht naar nieuwe geldschieters. Of naar nieuwe programmalijnen bij hetzelfde fonds.

Vrijheid vs starheid

Het ondernemerschapsvraagstuk kent een dubbelzijdige les met een bottom line: ondernemerschap hoeft buurtkracht niet in de weg te staan. Commercieel denken is zelfs geen probleem voor wie kan aantonen waar het aan ten goede komt. Ondernemerschap zorgt ervoor dat je als initiatief onafhankelijk kunt worden. En als je onafhankelijk bent, betekent het dat je zelf kunt kiezen welke onderwerpen je in de wijk aanpakt en niet afhankelijk bent van je subsidieverstrekker.

Exploitatiesubsidies zijn op hun retour. Gemeentes vervangen structurele ondersteuning door incidentele projectgelden. Voor sommige buurthuizen een probleem, voor andere een zegen. Doelsubsidies dwingen je namelijk je basisinkomenstroom op orde te hebben, door vanuit verschillende hoeken geld te verdienen. Tegelijkertijd geeft het de mogelijkheid om naast die basisactiviteiten te werken in opdracht van de gemeente. Denk aan de programmering in je buurthuis. Daarin kun je taken van de gemeente uitvoeren (dagbesteding bijvoorbeeld), waar de gemeente weer budget voor vrijstelt.

ONS gemeente

De andere zijde van de les is voor de gemeente. Kijk naar de Catch-22 van Midwest. De gemeente vraagt commerciële huur voor het pand, maar klaagt wanneer Midwest zelf commerciële huurders probeert aan te trekken om aan het maandelijkse bedrag te kunnen voldoen. Wanneer is vastgelegd dat wat je met je winst doet ten goede komt aan de wijk – door het sponsoren van activiteiten of nieuwe projecten te ontwikkelen – dan is er voor de gemeente sprake van een win-win-situatie.

“Er is ruimte op de regels nodig”

Want waarom zou je als gemeente initiatieven afschieten die beginnen te ruiken naar ondernemerschap? Er is leven in de wijk, er is een plek die verbindt en activeert, en er ontstaat (vrijwilligers-)werk voor mensen die dat elders niet kunnen vinden. Dat scheelt een hoop geld aan reïntegratietrajecten en participatieconsulenten. Dat is eerder reden om te juichen dan om in een defensieve stuip te schieten.

Voor bloeiende buurthuizen is daarom af en toe ruimte op de regels nodig. Zoals in Breda, waar de gemeente en UWV een oogje dichtknijpen om werklozen te laten werken. Wil een buurthuis overleven, dan moet het experimenteren. Wat is de juiste vorm? Wat zijn de activiteiten waar we mee kunnen verdienen? Geef ze de ruimte, en meer buurthuizen kunnen blijven bestaan.

Met dank aan Marieke Boeije, projectleider BewonersBedrijven, en Willem van Gent, Jan Hoek en Erik Arkesteijn. Binnenkort gaat Beheer je buurthuis verder inventariseren hoe de wet Markt en Overheid in de praktijk wordt geïnterpreteerd: concurreren buurthuizen met ondernemingen uit de buurt? En zo ja, mag dat?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*