Aansprakelijkheid

Print Friendly

Als bestuurder van een vereniging of stichting ben je niet aansprakelijk; dat is de vereniging of stichting namelijk zelf. Maar er zijn uitzonderingen op de regel, waarbij individuele bestuursleden wél aansprakelijk zijn tegenover derden.

Omdat verenigingen en stichtingen rechtspersonen zijn, ben je als bestuurslid die namens een vereniging of stichting handelt niet aansprakelijk tegenover ieder ander dan de organisatie zelf of haar vertegenwoordigers. Anders gezegd: een bestuurder die namens een rechtspersoon rechtshandelingen verricht, bindt daarmee die rechtspersoon en niet zichzelf. In een aantal omstandigheden gaat deze hoofdregel echter niet op.

Formele en informele vereniging

In de eerste plaats maakt het een verschil of de bestuurder handelingen verricht namens een informele of een formele vereniging. De formele vereniging (een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid) is verplicht zich te laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel in het Handelsregister. Doe je dat niet, dan zijn de bestuurders, naast de vereniging, hoofdelijk aansprakelijk. Is de inschrijving eenmaal een feit, dan is daarmee de hoofdelijke aansprakelijkheid opgeheven.

Een stichting moet altijd worden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in het Handelsregister. Zolang dat niet gebeurd is, blijven de bestuurders, naast de stichting, hoofdelijk aansprakelijk. Zorg er als bestuurder daarom voor dat de stichting daadwerkelijk is ingeschreven in het stichtingsregister, voordat je de stichting bindt aan derden. Je persoonlijke aansprakelijkheid eindigt bij de opgave ter eerste inschrijving.

Handelen buiten bevoegdheid

Volgens de wet is het bestuur van je buurthuis bevoegd tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon in en buiten rechte; iemand die een vereniging of stichting in en buiten rechte vertegenwoordigt is bevoegd de rechtspersoon zowel in rechtshandelingen als in nietrechtshandelingen te betrekken. In de statuten kan echter worden bepaald dat vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt gegeven aan een of enkele bestuurders, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk.

Tweede uitzondering op de hoofdregel is daarom wanneer een bestuurder een handeling verricht waartoe hij niet bevoegd is. ‘Bevoegd zijn’ betekent dat de bestuurder namens de organisatie rechtshandelingen mag verrichten waarvan de rechtsgevolgen voor rekening van de organisatie zijn. Een bestuurder die rechtshandelingen verricht waartoe hij niet bevoegd is of die de hem gegeven bevoegdheid overschrijdt, bindt daarmee dus niet de organisatie.

Zo kan het voorkomen dat bestuurders verbintenissen aangaan die buiten het doel van de organisatie liggen. Of sluiten bestuurders overeenkomsten die volgens de wet niet tot hun competenties behoren. Denk aan het aankopen van onroerend goed of het zich als borg garant stellen voor de schulden van derden.

Tenslotte kunnen bestuurders ook handelen terwijl ze voor desbetreffende handeling niet, of niet afzonderlijk, vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Op deze regel bestaan weer uitzonderingen.Zo wordt de vertegenwoordigingsbevoegdheid soms geacht besloten te liggen in de rechtsverhouding. Dat is bijvoorbeeld het geval bij werknemers: die worden geacht bevoegd te zijn. Ook kanhet voorkomen dat de derde partij op grond van verklaringen en gedragingen van de vertegenwoordiger bevoegd was. Er is dan sprake van ‘opgewekte schijn’. Hoe de verhoudingen in dit laatste geval liggen, is steeds afhankelijk van de concrete omstandigheden.

Bronnen: Handboek voor bestuurders en directie van stichtingen en verenigingen, via Dorpshuizen.nl.